Beroepsgeheim
“Ik zal geheim houden wat mij is toevertrouwd”
Het recht op privacy is het recht van een ieder op de eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. In het nationale en internationale recht wordt op vrijwel alle levensterreinen grote waarde gehecht aan dit recht. Ook in de gezondheidszorg is het medisch beroepsgeheim, dat heel nadrukkelijk een recht van de patiënt is om zijn privacy te beschermen, van groot belang. Niet alleen wordt hierdoor het privé-leven van patiënten beschermd, maar ook is het medisch beroepsgeheim essentieel in de vertrouwensrelatie tussen een hulpverlener en zijn patiënt. Als een patiënt zou weten dat het zijn hulpverlener is toegestaan om gegevens over zijn gezondheidstoestand, zijn persoonlijke omstandigheden en zijn gedachten en gevoelens door te geven aan anderen, dan zal de patiënt minder gemakkelijk informatie afgeven die wellicht van belang kan zijn voor een goede medische behandeling.
Maar wat houdt het recht op privacy van de patiënt precies in? In hoeverre mag een arts informatie verstrekken aan derden? Wat kan een patiënt doen als zijn/haar recht op privacy is geschonden?
Beroepsgeheim
Van oudsher leggen artsen een eed af waarin ze aangeven dat ze alles wat ze te zien of te horen krijgen van of over een patiënt, zullen verzwijgen. In de eed is het beroepsgeheim als volgt weergeven: “Ik zal geheim houden wat mij is toevertrouwd”.
Volgens het Burgerlijk Wetboek zijn niet alleen artsen, maar ook overige hulpverleners, zoals psychotherapeuten, verloskundigen en verpleegkundigen verplicht tot geheimhouding van alle gegevens die de patiënt hen heeft toevertrouwd en die de hulpverleners in de uitoefening van hun beroep te weten komen. Zonder toestemming van de patiënt mogen hulpverleners geen gegevens van de patiënt verstrekken aan anderen. Hierbij gaat het niet alleen om medische gegevens, zoals de gegevens die blijken bij het opnemen van de anamnese, de röntgenfoto, laboratoriumuitslag, diagnose, therapie, het consult, recept, de aantekeningen in de medische administratie enzovoort, maar ook om alle persoonlijke informatie die aan de arts is toevertrouwd. Als de hulpverlener zijn beroepsgeheim schendt, kan de rechter oordelen dat hij strafbaar is op grond van het Wetboek van Strafrecht.
Personeel, zoals secretaresses, telefonistes en portiers hebben een beroepsgeheim dat is afgeleid van dat van de hulpverlener. De hulpverlener moet zijn ondersteunend personeel uitdrukkelijk wijzen op het afgeleid beroepsgeheim en toezien op het respecteren daarvan.
Beroepsgeheim na de dood
Als een patiënt overlijdt, betekent dit nog niet dat daarmee het beroepsgeheim vervalt. Ook na de dood van een patiënt moet zijn recht op geheimhouding worden gerespecteerd. Nabestaanden kunnen de hulpverlener niet ontheffen van zijn geheimhoudingsplicht. Dit betekent dat de hulpverlener alleen medische gegevens van de overleden patiënt aan anderen mag verstrekken, als de patiënt hiervoor bij leven zijn toestemming gaf.
De hulpverlener kan echter wel aan nabestaanden die bij leven een goede band hadden met de overledene, gegevens verstrekken omtrent de doodsoorzaak van de patiënt.
Gaat het om een niet natuurlijke dood, dan moet de hulpverlener bovendien de lijkschouwer inschakelen, die vervolgens onderzoek zal verrichten naar de doodsoorzaak ten behoeve van justitie.
Verschoningsrecht
Het beroepsgeheim is gekoppeld aan het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht geeft de hulpverlener het recht om als getuige in een civiele of strafrechtelijke procedure te zwijgen over informatie die hem over de patiënt bekend is geworden. De hulpverlener zal zich verschonen ten aanzien van vragen over gegevens die onder zijn beroepsgeheim vallen. De rechter respecteert het beroep op het verschoningsrecht zolang duidelijk is dat de hulpverlener de vragen niet kan beantwoorden zonder zijn beroepsgeheim te doorbreken.
Verder kan de situatie zich voordoen dat politie en justitie patiëntgegevens opvragen bij de hulpverlener. Ook dan zal de hulpverlener zich dienen te beroepen op zijn verschoningsrecht en dus geen gegevens aan de politie mogen verstrekken; ook niet over bijvoorbeeld de aanwezigheid van een patiënt in het ziekenhuis. De gedachte hierachter is dat patiënten zich ongehinderd tot artsen en ziekenhuizen moeten kunnen wenden zonder vrees voor arrestatie.
[adrotate banner=”3″]
Incidentele verstrekking van persoonsgegevens
Bij het door de hulpverlener verstrekken van persoonsgegevens dient te worden voldaan aan het noodzakelijkheidsvereiste en aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De hoofdregel is dat een hulpverlener geen medische gegevens van patiënten verstrekt aan anderen, zonder de expliciete toestemming van de patiënt. Hier kan echter ten aanzien van bepaalde personen uitzondering op worden gemaakt, namelijk tegenover:
- degenen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst, zoals verpleegkundigen en assistenten of de collega-vakgenoot die om advies wordt gevraagd. – degene die als vervanger of waarnemer voor de hulpverlener optreedt.
- vertegenwoordigers van de patiënt, dat wil zeggen degenen die toestemming moeten geven ter zake van de uitvoering van de behandelingsovereenkomst, zoals ouders van kinderen onder de 16 jaar, curatoren en mentoren.
- – degene die anonieme gegevens gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek, statistische doeleinden of onderwijs.
Aan bovengenoemde personen wordt alleen de informatie verstrekt die van belang is voor de uitoefening van hun taak.
Verder geldt dat de doorbreking van het beroepsgeheim gerechtvaardigd is:
- als de toestemming van de patiënt verondersteld kan worden. Bijvoorbeeld als de patiënt wordt doorverwezen naar een specialist, dan kan verondersteld worden dat de patiënt toestemming geeft voor het verstrekken van informatie aan die specialist.
- als een wettelijke bepaling hiertoe verplicht. Dit geldt bijvoorbeeld ten aanzien van een aantal besmettelijke ziekten, die zo spoedig mogelijk moeten worden gemeld als een hulpverlener deze bij een patiënt vermoedt of vaststelt.
- als de hulpverlener voor een conflict van belangen komt te staan. Normaliter zal een hulpverlener ook in zo’n situatie zijn beroepsgeheim handhaven, tenzij hij, na afweging van de verschillende belangen, niet anders dan tot de conclusie kan komen, dat hij zijn geheimhoudingplicht moet doorbreken, omdat een ander belang zwaarder weegt. Dit kan een belang van de patiënt zelf zijn, maar ook een belang van een ander. In het eerste geval kan worden gedacht aan een meerderjarige alcoholist die zijn vrouw niet op de hoogte wil stellen van zijn probleem. Het belang van de patiënt bij een goede verzorging kan dan zwaarder wegen dan het belang bij het bewaren van het geheim. De hulpverlener kan in zo’n geval besluiten om de vrouw van de alcoholist op de hoogte te stellen. In het tweede geval kan gedacht worden aan de situatie waarin de patiënt te kennen geeft een ander wat ernstigs aan te willen doen. Het belang van die ander kan dan zwaarder wegen dan het belang van de patiënt op geheimhouding. In zo’n geval zou de hulpverlener ervoor kunnen kiezen om de politie in te lichten over het plan van zijn patiënt. Een conflict van belangen doet zich ook voor als tegen een hulpverlener een klacht wordt ingediend. In een dergelijk geval kan het recht van de hulpverlener op een eerlijk proces zwaarder wegen dan het belang van de patiënt bij geheimhouding, zodat de hulpverlener voor het voeren van zijn verdediging gebruik kan maken van medische informatie van de klager/patiënt. In zo’n geval wordt bovendien verondersteld dat de patiënt voor het gebruik van medische informatie zijn toestemming geeft, aangezien het de patiënt zelf is die ervoor heeft gekozen om de procedure te starten.
Het gebruik van persoonsgegevens (conflict) strekt zich ook uit over de verhouding tussen de hulpverlener en de zorgverzekeraar. De vraag hierbij is of dat in ons huidig wettelijk stelsel het beroepsgeheim van de hulpverlener en het recht op privacy van de patiënt voldoende waarborging en bescherming bieden voor het gegevensverkeer tussen de hulpverleners en zorgverzekeraars. Wat zijn bijvoorbeeld de gevolgen als de patiënt (de hulpverlener) bepaalde informatie aan de zorgverzekeraar weigert te verstrekken. Dilemma’s als onderhavige dienen door de beroeps- en patiëntenorganisaties kritisch te worden gevolgd. Regel is immers dat het beroepsgeheim zo min mogelijk mag worden geschonden en aldus alleen die gegevens worden verstrekt die strikt noodzakelijk zijn voor het doel.
Handhaving van het beroepsgeheim
Als een patiënt van mening is dat een hulpverlener zijn beroepsgeheim geschonden heeft, dan kan deze allereerst de klacht bespreken met de hulpverlener zelf. Blijft de patiënt na dit gesprek ontevreden of gaat de hulpverlener het gesprek liever niet aan, dan kan de patiënt zijn klacht voorleggen aan andere instanties, te weten:
Het KHB
De patiënt kan met zijn klacht terecht bij het Klachten- en Hulpverleningsbureau van de Geneeskundige en Gezondheidsdienst van het Eilandgebied Curaçao. Deze instantie geeft patiënten gratis een niet-dwingend advies als ze ontevreden zijn over de behandeling en/of het gedrag van de hulpverlener. De klachten kunnen zowel mondeling als schriftelijk ingediend worden en de procedure duurt over het algemeen niet erg lang.
De Inspectie voor de Volksgezondheid
Een andere mogelijkheid voor de patiënt is het mondeling of schriftelijk indienen van de klacht bij de Inspectie voor de Volksgezondheid. De klachtenprocedure bij de Inspectie duurt gemiddeld zo’n 3 à 4 maanden en is net als die van het KHB gratis. In de laatste fase van de klachtenprocedure wordt door de Inspectie een verslag gemaakt met haar conclusies en eventuele aanbevelingen. De Inspectie kan echter geen straf of maatregel opleggen.
Het Medisch Tuchtcollege
De patiënt die door de schending van het beroepsgeheim het vertrouwen in de medische stand is kwijt geraakt, kan schriftelijk een klacht indienen bij het Medisch Tuchtcollege. Het verschil tussen de klachtencommissie en het tuchtcollege is dat het tuchtcollege meer medisch inhoudelijke zaken kan behandelen, terwijl de taak van de klachtencommissie is om een uitspraak te doen over ‘eenvoudige en duidelijke zaken’. Er zijn een aantal maatregelen die door het MTC genomen kunnen worden. Het tuchtcollege kan de hulpverlener een waarschuwing geven, een berisping, een boete of zelfs een schorsing van de uitoefening van het beroep. Het kan, net als het KHB en de Inspectie, geen schadevergoeding toekennen aan de patiënt. Het college onderzoekt alleen of de arts door zijn handelen het vertrouwen in de medische stand heeft ondermijnd. De procedure bij het MTC kan zo’n 4 tot 6 maanden duren voordat het MTC uitspraak doet. Ook bij deze instantie is de procedure gratis.
De civiele rechter
Als een patiënt door de schending van het beroepsgeheim schade heeft ondervonden, dan kan hij bij de civiele rechter schadevergoeding vorderen. Dit is echter een weg die ingewikkelder ligt. De patiënt moet namelijk onder meer kunnen bewijzen dat hij/zij schade heeft geleden, hoe groot die schade is en dat de hulpverlener die aangeklaagd wordt daarvoor verantwoordelijk is.
Voordat een patiënt naar de rechter stapt, kan het verstandig zijn om eerst een uitspraak te hebben van bijvoorbeeld het medisch tuchtcollege, zodat de patiënt bij de burgerlijke rechter bewijsrechtelijk gunstiger staat. Daarnaast is het tevens aan te raden om een advocaat in te schakelen, e.e.a. in verband met de complexiteit van deze procedure.
De strafrechter
Tenslotte kan de patiënt bij schending van het beroepsgeheim (hetgeen immers strafbaar is gesteld in het Wetboek van Strafrecht een klacht indienen bij het Openbaar Ministerie (OM). De strafrechter kan ten aanzien van de hulpverlener een straf of maatregel opleggen en tevens ten aanzien van de patiënt een schadevergoeding toekennen. Nadeel in deze procedure is dat de patiënt afhankelijk is van de beslissingen die het OM neemt. Het OM kan besluiten om de zaak voor de rechter te brengen, maar kan ook, bijvoorbeeld in verband met een tekort aan bewijs, besluiten om de zaak te seponeren.
Gelijktijdig meerdere mogelijkheden
Hoewel de klachteninstanties hierboven in een bepaalde volgorde staan aangegeven, betekent dit niet dat ze in deze volgorde moeten worden benaderd. Het is uiteindelijk aan de patiënt zelf om te beslissen waar en op welke manier hij/zij de klacht kenbaar maakt. De patiënt kan bijvoorbeeld bij het tuchtcollege een klacht indienen over een hulpverlener en tegelijkertijd, of na de behandeling van de zaak, bij de civiele rechter een schadevergoeding eisen.
Meerdere klachten indienen bij verschillende instanties kan echter verwarring scheppen, aangezien er dan tegenstrijdige conclusies kunnen worden getrokken, zodat het er voor zowel de patiënt als de hulpverlener niet overzichtelijker op wordt.
Conclusie
Als hoofdregel geldt dat een hulpverlener aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over die patiënt mag verstrekken, dan met toestemming van de patiënt of op grond van een wettelijke verplichting. In beide gevallen behoort de patiënt (steeds) voorafgaand te worden geïnformeerd over het doel van de verstrekking en de daarvoor benodigde gegevens
[adrotate banner=”11″]
![]()
